Hoe is het om migrant in Nederland te zijn? We brengen verschillende groepen samen aan een tafel, voor een maaltijd op onze redactie. Vandaag: hoe leven Afghanen in Nederland, en hoe leeft hun leven in Afghanistan hier door? Gastcorrespondent Jurgen Tiekstra tekent het gesprek op.

 

Dit is het Nederland van de Afghanen

In Nederland wonen bijna 44.000 Afghanen. Dat zijn er verhoudingsgewijs heel wat: binnen de EU herbergt alleen Duitsland meer Afghanen dan Nederland. De Afghanen in Nederland vormen een uiterst complexe gemeenschap, die is gestempeld door de vele tientallen jaren van oorlog en bezetting die hun land heeft gekend. Het is bovendien een gemeenschap vol etnische verschillen: van Pashtun tot Tadzjieken, van Hazaren tot Oezbeken.

Het aantal Afghanen in Nederland groeide vooral na 1992, toen het communistisch regime in Afghanistan na veertien jaar ten val kwam en er een burgeroorlog ontstond. Pas toen de taliban in 1996 het grootste deel van Afghanistan in handen kreeg, op het noorden na, kwam er in grote delen een relatieve rust en waren er minder vluchtelingen. Na de inval van de Amerikanen in 2001 ontstonden er weer nieuwe vluchtelingenstromen.

Inmidddels zijn de Afghanen een onlosmakelijk onderdeel van Nederland geworden. Tijd om de balans op te maken, met vier mensen uit de Afghaanse gemeenschap en een keur aan gerechten uit de Afghaanse keuken op tafel.

Student Bouwkunde Naim Farhoed (27) uit Delft, huisarts in opleiding Zohra Moallemzadeh (29) uit Zoetermeer, perswoordvoerder Gaibar Hasami (21) van Stichting 1F en Wali Shapour (47), die rijschoolhouder is in Arnhem en voorzitter van de Afghaanse koepelorganisatie UvAViN.

Het voorgerecht: Wat voor Afghanen wonen hier?

De elite van Afghanistan, zegt Moallemzadeh. Als je geld had of hoog was opgeleid, vluchtte je naar West-Europa. Als je het minder goed had, ging je naar omliggende landen als Iran of Pakistan. Naim Farhoed bevestigt dat: ‘De meerderheid van de Afghanen die hierheen zijn gekomen, is hoogopgeleid. In een land als Afghanistan heeft alleen de bovenlaag, vooral de economische bovenlaag, de mogelijkheid om het land te verlaten.’

‘Dat betekent niet dat niemand in Afghanistan meer hoopopgeleid is’, benadrukt Hasami. ‘Je kunt niet spreken van een braindrain, want na 2001 zijn heel veel Afghanen terug gegaan en hebben daar weer een baan opgepakt.’

Moallemzadeh: ‘Wel heb je lange tijd een gap gehad: jarenlang waren de hoogopgeleiden er niet. Ze hadden het land massaal verlaten. Dat is de reden voor heel veel problemen in het land. Nu pas kunnen de hoogopgeleiden hun rol voor de komende twintig jaar vervullen. Maar ik ken artsen en chirurgen die teruggekeerd zijn en enorm teleurgesteld weer naar het Westen terug zijn gekomen. Omdat ze niet meer in Afghanistan geaccepteerd werden. Ze hadden niet langer de juiste middelen, de juiste connecties en het juiste netwerk om zich daar te kunnen vestigen. Zonder netwerk kom je nergens.’

Bijgerecht: Hoe steeds meer Afghanen echtscheiden

De liberale Nederlandse cultuur heeft zijn effect op immigranten, zeker ook op de Afghanen. Een duidelijk gevolg zijn de vele echtscheidingen in de gemeenschap, terwijl die een taboe zijn.  Een belangrijke oorzaak is de toegenomen mondigheid van Afghaanse vrouwen.

‘De afgelopen vijf jaar is het percentage echtscheidingen in Afghaanse gezinnen in Nederland flink toegenomen’, vertelt Wali Shapour. ‘Binnen de Afghaanse gemeenschap is de baas van het gezin in 90 procent van de gevallen de man, niet de vrouw. De mannen willen die positie niet verliezen. Ze willen het liefst dat de vrouw bij het gezin thuis blijft. Maar vrouwen willen werken, ze willen naar school, ze willen actief zijn in de maatschappij. Zo zijn er heel veel problemen in Afghaanse gezinnen, maar je hoort daar weinig van. Het is een heel gesloten gemeenschap.’

‘Het is een goede ontwikkeling, denk ik, dat Afghanen hier sneller scheiden’, zegt Hasami. ‘Ik geloof niet dat huwelijken in Nederland per definitie slechter zijn dan in Afghanistan. Daar kan een huwelijk ook slecht zijn, maar dan staat er vaak zoveel sociale druk op dat mensen dat slechte huwelijk voor de rest van hun leven accepteren. Dat mensen dat doen, moet je overigens los zien van de islam. Ook in de islam bestaan gronden voor scheiding.’

‘De constructie van een typisch Afghaans huwelijk is erg ingewikkeld’, vertelt Zohra Moallemzadeh. ‘Als je uit elkaar gaat, oh!, dan krijg je echt koppijn.’

Dat komt deels omdat in de Afghaanse traditie niet alleen een man en vrouw met elkaar trouwen, maar eigenlijk ook hun beide families. ‘Gearrangeerde huwelijken’, waarbij de familie bemiddelt, zijn geen uitzondering.

Maar dat is niet het enige wat een Afghaans huwelijk zoveel gewicht geeft. Een andere reden is: geld. Dat komt door de nikah, het islamitische huwelijkscontract.

‘Vanuit de islamitische wetgeving krijgt de vrouw rechten mee’, vertelt Moallemzadeh. ‘Met ingang van het huwelijk krijgt de vrouw recht op een financieel bedrag. Als een stel uit elkaar gaat, is de man verplicht dat te betalen. Dat is aanleiding voor de grootste ruzies, want er worden belachelijke bedragen gevraagd. Gouden muntstukken zijn nu erg in. Vóór het huwelijk doet de vrouw een voorstel en zegt dan bijvoorbeeld: ik wil vijfhonderd gouden muntstukken. De man gaat daar mee akkoord, zonder na te denken. Maar dán gaan ze scheiden. En ja, hoor: “Waar blijven mijn vijfhonderd gouden muntstukken?” Er ontstaan op dat moment ruzies omdat je wel volgens de islamitische wetgeving hebt ondertekend, maar niet volgens het Nederlandse rechtssysteem. Daarom gaan ze met hun huwelijkspapieren naar een rechter in Afghanistan of in Iran. Geloof me, het is een hoop ellende. Er zijn maar heel weinig Afghanen die trouwen zonder een nikah. Al zijn zij niet gelovig, dan doen zij dat toch.’

Hoofdgerecht: voelen Afghanen zich thuis in Nederland?

‘Veel Afghaanse jongeren met wie ik omga, hebben gemengde gevoelens’, vertelt Naim Farhoed. ‘Aan de ene kant willen ze echt Afghaan zijn, met hun taal, cultuur en geloof. Maar tegelijkertijd willen ze ook goed functioneren hier, of ze nou werken, studeren of met vrienden omgaan. Soms komen die twee met elkaar in conflict. Neem bijvoorbeeld het voorbeeld van ‘daten’. Het is onderdeel van de Afghaanse cultuur geworden dat je geen contact met elkaar mag hebben voor het huwelijk. Maar er zijn veel meer aspecten die nog niet verteerd zijn in onze cultuur, zoals de acceptatie van homoseksualiteit.’

Moallemzadeh: ‘Ik denk dat sommige ouders misschien niet goed nadenken over wat hun kind in Nederland nou eigenlijk meemaakt. Wat hoort hij op school, wat hoort hij in de media, wat hoort hij van zijn medestudenten? Niet alle Afghanen kunnen goed switchen tussen twee culturen. Thuis moet je zo Afghaans mogelijk zijn, daarbuiten juist Nederlands. Dan heb ik het niet eens over religie. Ik denk dat wij Afghanen eerder traditioneel zijn dan religieus. Zoals wat Naim aankaart over daten: ik ken zát niet-religieuze families waarvan de dochters niet mogen daten. En ik ben een moslima, maar ik date wel.’

Nog een heel alledaags voorbeeld: ‘Als ik in mijn cultuur spreek met een oudere, dan richt ik mijn ogen naar beneden. Dat is mijn uiting van respect voor die ander. Maar in Nederland is het niet aankijken van iemand juist een teken dat ik geen respect voor de ander heb.’

Een cruciale voorwaarde voor succes in de Nederlandse samenleving is de leeftijd waarop een Afghaan naar Nederland kwam, vertelt Hasami. Zelf was hij een klein kind toen hij van Kabul naar Delfzijl verhuisde.

‘Als je in Afghanistan twintig of dertig jaar hebt gewerkt, gestudeerd en een leven hebt opgebouwd, dan moet je in Nederland helemaal opnieuw beginnen. Ik kan me voorstellen dat bepaalde Afghanen niet de energie hebben om de taal hier te leren en opnieuw iets op te bouwen.’

Opvallend is dat de jongere generatie Afghanen het erg goed doet in het Nederlandse hoger onderwijs. In Rotterdam en Nijmegen zijn grote Afghaanse studentenverenigingen, met honderden leden. De oudere generatie heeft het veel moeilijker in Nederland.

‘Sommige ouderen zitten de hele dag thuis: depressief, ziek’, vertelt Shapour. ‘Dat komt door de werkloosheid. Iemand kan in Afghanistan directeur zijn geweest van een groot bedrijf, maar in Nederland zit hij al tien jaar thuis. Met elke dag hetzelfde: ‘s morgens opstaan, ’s avonds weer naar bed en overdag helemaal niks. Dat geldt voor tachtig procent van de Afghanen van boven de vijftig.’

‘Het SCP heeft onderzoek gedaan naar Afghaanse vijftigplussers’, herinnert Farhoed zich. ‘Daaruit is gebleken dat een grote meerderheid van de Afghaanse vluchtelingen van vijftigplus kampt met psychische problemen. Met name door de werkloosheid. Mijn eigen vader zegt weleens dat hij soms het gevoel heeft alsof hij zijn leven heeft opgeofferd voor mij. Hij zegt: “Ik heb hier niks te zoeken. Ik ben hier voor jullie heen gekomen.”’

Maar niet alleen werkloosheid deprimeert. Niet vergeten moet worden dat het merendeel van de Afghanen nog steeds gruwelen op zijn netvlies heeft staan.

Ik denk dat heel veel Afghanen met PTTS kampen’, zegt Moallemzadeh. ‘Alleen is dat niet herkend: noch door henzelf, noch door hulpverleners. Ik kan met zekerheid zeggen dat bij 99 procent van de Afghanen in Nederland traumata zijn geweest in de voorgeschiedenis. Dat hóórt erbij: dat je mensen hebt zien doodgaan, dat je achtervolgd bent, dat je moest vrezen voor je leven.’

Farhoed: ‘Mensen die in hun eigen land hebben vastgezeten, worden in Nederland automatisch doorgestuurd naar een psychiater of psycholoog om te praten. Toen mijn vader werd uitgenodigd, zei hij: “Alles is prima, ik heb het overleefd, ik ben gezond.” Ze hebben hem toch wat afspraken gegeven. En na drie, vier maanden actief erover praten, kwamen bij hem heel veel dingen los. Toen wist hij pas dat er iets bestaat als een posttraumatische stoornis. Ook in Afghanistan begint dat nu te spelen. Maar toen ik daar zelf nog woonde, was het geen issue. Het belangrijkste was dat je overleefde.’

Het nagerecht: de koude oorlog tussen de Afghanen in Nederland

 

Het geweld tussen de Afghanen is in Nederland afwezig. Maar er woekert onderhuids wel degelijk een koude oorlog. Mensen die onder het communistische regime in de gevangenis hadden gezeten, kwamen na 1992 soms ineens oude vijanden tegen in de Nederlandse supermarkt. Anno 2015 zitten de emoties en de trauma’s nog heel diep. Dat alles balt zich samen rond één hoofdpijndossier: het Nederlandse 1F-beleid.

 

Dit beleid betekent dat alle voormalige (onder)officieren van de Afghaanse geheime diensten, ten tijde van het communistische regime, worden verdacht van oorlogsmisdaden. Ze krijgen geen asiel, maar worden vanwege het gevaar in Afghanistan vaak ook niet uitgezet. Ondertussen worden ze niet strafrechtelijk vervolgd en kunnen ze hun onschuld niet bewijzen, zegt Gabair Hasami, die in het bestuur zit van Stichting 1F. 1F’ers mogen niet werken, kunnen geen uitkering krijgen of een verzekering afsluiten, en mogen niet uitreizen.

 

Hasami wil overigens niet ontkennen dat in Nederland echte schuldigen hebben rondgelopen. Nadat het 1F-beleid in 2000 was ingevoerd, vertrok een groep Afghanen naar landen als België, Duitsland en Engeland. ‘Iedereen wist waarom: dat waren oorlogsmisdadigers.’

 

Als het gesprek hierover gaat, luistert Zohra Moallemzadeh lang stilzwijgend toe. Het is voor haar een uiterst precair onderwerp. Ze is zelf als kind van vluchtelingen in Iran geboren. Haar beide ouders waren prominente sjiieten in Afghanistan en moesten daarom onder de communisten vrezen voor hun leven.

 

‘Ik kom direct uit een familie van slachtoffers van het communistische regime, van de massamoorden en van de massaverdwijningen’, zegt ze. ‘Mijn familieleden zijn meegenomen en hebben wij nooit teruggezien. Toen in 2013 de dodenlijst bekend werd, hebben wij nog een rouwbijeenkomst gehouden. Want dat was voor ons de confrontatie: onze dierbaren komen echt nooit meer terug. Sjiieten werden in die tijd massaal meegenomen.’

 

‘Dit is de eerste en de laatste keer dat ik over Artikel 1F in het openbaar mijn mening geef: ik vind dat nu alleen het verhaal van de nieuwe slachtoffers, of van de slachtoffers die graag als slachtoffer gezien willen worden, wordt belicht. Voor het verhaal van mijn soortgenoten is geen aandacht. Ik kan het niet in mijn hoofd wegzetten: als jij weet dat een regime massamoorden pleegt, hoe ben jij dan alsnog in staat om voor dat regime te werken?’

 

Hasami werpt tegen: ‘Het argument dat iedereen die voor het communistische regime werkte wist wat er gebeurde, is niet waar. Dan was men massaal gedeserteerd. De Khad, de geheime dienst, was bovengronds een organisatie van 80.000 man. Het ondergrondse gedeelte, waarvan heel weinig mensen wisten dat die bestond, was verantwoordelijk voor de mensenrechtenschendingen.’

 

Moallemzadeh: ‘Maar als mensen door de geheime dienst werden meegenomen, werd dat met toeters en bellen gedaan. Dan kwamen er echt auto’s voorrijden en waren er heel veel agenten. Als in je eigen straat mensen worden meegenomen en jij bent daar getuige van, terwijl je werkt voor die regering… Denk je dan niet na met je eigen geweten: waar ben ik onderdeel van?’

 

Hasami: ‘Iedereen heeft last gehad van het communistisch regime. Daar moeten we eerlijk over zijn. De oorlog in Afghanistan was een oorlog tussen grootmachten die met Afghaans bloed is gevochten. Als we dat in ons achterhoofd houden, hoeven er geen problemen meer tussen de Afghanen te zijn. Maar aan beide kanten zijn er Afghanen die steeds met de vinger wijzen: jullie hebben Afghanistan vernietigd, jullie hebben Afghanistan vernietigd. Zelfs hier in Nederland, nadat alles in Afghanistan kapot is gegaan, zetten ze die oorlog voort. Die haat en nijd is er nog steeds. Zowel het voormalige communistische regime als de mujahedin proberen de gematigde Afghanen tegen elkaar op te hitsen. Dat vind ik heel jammer, want we delen zoveel met elkaar.’

 

In Afghanistan, maar ook in Nederland geldt: de Afghaanse jongeren zijn de toekomst. Zij kunnen veel makkelijker dan de ouderen het verleden achter zich laten, en denken veel minder langs etnische en politieke lijnen. ‘Wij zijn echt trots op die generatie’, zegt Wali Shapour, de oudste aan tafel. Zij belichamen de hoop.

 

EXTRA INFORMATIE:

 

Naim Farhoed (27): Hij kwam in 2000 naar Nederland via de gezinsherenigingswet. Zijn vader, die in Afghanistan gevangen had gezeten, woonde hier al. Farhoed studeert aan de TU Delft. Hij is betrokken bij de Rotterdamse studentenvereniging Aria Students en bij koepelorganisatie Favon. Met een vriendin richtte hij Stichting Niaaz op, waarmee hij geld inzamelt voor winterhulp aan Afghaanse gezinnen.


Wali Shapour (47): Hij kwam in 1997 naar Nederland. In Afghanistan was hij lid van de socialistische partij en werkte hij op de universiteit in Kabul. Hij studeerde in Nederland voor ict-beheerder. Drie jaar coördineerde hij voor het ministerie van Defensie de werving van Afghaanse tolken voor de militaire missie in Afghanistan. Sinds 2010 heeft hij een rijschool. Hij is voorzitter van koepelorganisatie UvAViN. 


Zohra Moallemzadeh (29): Ze werd in Iran geboren. Toen ze tien was, ging ze met haar gezin terug naar Afghanistan en van daar naar Nederland. Ze studeerde geneeskunde aan de Erasmus Universiteit en richtte Aria Students op. Ze is een sjiitische moslim en dicht betrokken bij haar religieuze gemeenschap.


Gaibar Hasami (21 jaar) kwam op zijn zesde naar Nederland en woont nu in Groningen. Zijn vader, die officier was in het Afghaanse leger, woonde hier al. Hasami studeert Internationale Betrekkingen, is penningmeester van de Jonge Democraten (D66) en is perswoordvoerder van Stichting 1F. Zijn vader is voorzitter van een Afghaanse culturele vereniging in Groningen.

 

-

 

Stichting 1F zet zich in voor een rechtvaardige rechtsgang in Nederland, voor Afghanen die worden verdacht van oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid.

 

Over 1F: Het gaat hier om Artikel 1F van het VN-Vluchtelingenverdrag op grond waarvan vluchtelingen geen asielstatus krijgen als ze oorlogsmisdaden hebben gepleegd. In 2000 heeft het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht opgesteld op basis waarvan alle gevluchte Afghanen die tussen 1978 en 1992 ten tijde van het communistische regime bij de veiligheidsdienst heeft gewerkt automatisch verdacht wordt van oorlogsmisdaden en dus geen asiel krijgt.